Onderuit op de rolschaats

Samen met de eigenaar van de minicamping in Leeuwarden loop ik naar de plek die hij voor mij heeft bedacht. Eerst duw ik de bak naast mij al wandelend het gras over, maar als ik zie dat Johan in de richting van een smal paadje gaat, ga ik voor de bak staan en pak met beide handen achter mijn rug de staanders vast die de bak stevigheid verlenen als ik de tent erop zet. Zo trek ik hem over het paadje. Dan toont de campingbeheerder mijn plaats. Onder een boom. Aan het water. 

“Wauw, wat een plek.” (…) De MOOISTE plek!”, roep ik erachteraan. 

“Ja,” zucht Johan. “Iedereen op deze camping heeft de mooiste plek.”

Zonder er verder meer woorden aan vuil te maken loopt hij weer het paadje af, terug naar de stalschuur om in het donker te verdwijnen. 

Ik zet m’n bak neer onder de boom, klap de staanders op de grond en open de kleppen. Wat heeft Oebele dit toch vernuftig gemaakt. Boven op de twee kleppen heeft hij een houder gemaakt waardoor de bak waterdicht is. Aan de stuurkant zitten twee oogjesschroeven, daar hangt een slotje aan. Beveiligde bak. Ik kan hem hier, en overal, gerust laten staan. Uit het vakje ‘Rolschaatsen’ pak ik de rolschaatsen van Rixte. Uit de fietstassen pak ik mijn rugzak, waarin mijn laptop zit en de kleding voor het vrijgezellenfeestje. Gewone kleding, want bij Eline hoef je (godzijdank) niet met roze glitterpakjes en dildo-ballonnen aan te komen. Op het fietspad trek ik m’n rolschaatsen aan. Als ik vaart maak, merk ik dat ik wel even mijn balans moet vinden. Van de bak zo op de schaats, dat is wel even schakelen. Het is half vijf, ik zal op tijd op het station zijn. 

Chaos!

Voor het station is het een chaos aan verkeer. Ook hier zijn ze de boel aan het verbouwen en verleggen. Alles voor 2018! Het nieuwe stationsplein is vol in de maak. Als ik de grote bouwborden mag geloven, wordt het prachtig. Het vraagt wel even dubbele concentratie op acht zwarte wieltjes. Ik sta bij het zebrapad voor het station hijgend te wachten tussen rustige mensen die op hun voeten staan. Het zweet rolt met druppels tegelijk van mijn voorhoofd.

Een stukje rolschaatsen is niet hetzelfde als een stukje wandelen.

Pas als ik stil sta, voel ik bovendien hoeveel werk mijn benen hebben verricht vandaag. Ze trillen een beetje. Als ik van een automobilist het teken krijg dat ik mag oversteken, zwaai ik lachend naar hem. Ik zet het dopje aan de voorkant van de schaats op de grond om mijzelf af te zetten, ik knik nog een keer blij en met dat ik voor de auto langs ga, verlies ik mijn evenwicht, zwiep een paar keer met mijn armen in de rondte om mijzelf tegen te houden, maar het is onhoudbaar: ik flikker keihard achterover. Mijn goed gevulde rugzak voorkomt dat mijn achterhoofd de straat raakt. Gelukkig. Om mij heen hoor ik mensen: “OH!” roepen.

Het is zaak om 1,2,3 HOPPA weer op te staan en te laten zien dat het goed gaat. In de auto zit de vrouw naast de man met haar hand voor haar mond met grote ogen over het dashboard gebogen. Ik moet haar geruststellen, ik lach en steek m’n duim omhoog en rol vervolgens allervoorzichtigst het zebraatje over. Takkejantje, wat een klapper. 

In de stationshal ga ik eerst naast een zwerver op een bankje zitten en drink water.

Heb ik wel genoeg gedronken vandaag? Normaal zou ik thuis tegen deze tijd allang twee liter in m’n mik hebben. Ik besef dat ik nu nog steeds met de eerste liter bezig ben, terwijl ik toch minstens een paar liter eruit heb gezweet. Ik trek de rolschaatsen van m’n voeten en stap op mijn nette schoenen de Appie Heijn binnen om sap te kopen. Die voeten voelen gek. Die maken terwijl ik ze neerzet voor mijn gevoel nog de beweging van de rolschaatsen. Ik kijk naar ze. Knap. Ze schaatsen niet meer. Ze lopen gewoon rechtdoor. 

Mijn hoofd is compleet PAARS

Daarna loop ik naar Julia’s om daar sap te kopen. Ik ga even naar het toilet en zie daar mijn hoofd in de spiegel. Dat is niet anders te omschrijven dan compleet paars. Och heden, en zometeen zie ik hier mijn liefde die ik heb uitgenodigd om mee te gaan naar Assen. Want ja, een B&B huren om daar alleen in te slapen als je eindelijk na eeuwen samen bent, dat zou wel echt heel onlogisch zijn. Ik was mijn gezicht onder een koude straal water en knap mezelf op.

Het paars verandert al wat in vlekkerig rood. Het doet me denken aan de zware hockeytrainingen van vroeger. Hm. Maar hopen dat Martin nog even op zich laat wachten. Achter het station staat cateraar Caroline met twee grote tassen vol heerlijke vrijgezellenhapjes klaar. Wat een geluk dat mij te binnen schoot dat mijn ouwe fotoclubmaatje ergens in de afgelopen jaren een cateringbedrijf begonnen was! Anders weet ik niet of iemand op zo’n korte termijn nog wel een mooie lunch voor negen vrouwen in elkaar had willen draaien voor me. 

“Hoe was je eerste dag op de fiets?”, vraagt Caroline.

“Fantastisch!”, roep ik naar waarheid, en iets zachter:

“Maar niet licht.” 

Ze lacht. 

Ik moet er ook wel om lachen. Wat een dag. 

Op naar Assen. En kijk, daar staat hij. Eén meter zoveel-en-negentig meter lengte. Alsof hij weet dat ik daar aankom, draait hij zich om en lacht breed. Het perron van Leeuwarden wordt een beetje lichter. In de trein kruip ik tegen hem aan, zo goed en zo kwaad als het gaat. Als je verliefd bent ligt alles lekker. Op naar de B&B waar ze een hele grote douche hebben. Die kan ik wel gebruiken. Morgen weer een dag. 

Die nacht droom ik dat ik in het gras lig en naar wolkenluchten staar. Een stem zegt: 

‘Er is niet zoiets als oude verhalen. 

Er is niet zoiets als nieuwe verhalen. 

Er zijn slechts: de verhalen.’